Wanneer ervaring nog geen eigenaar heeft
Wanneer ik de sessies en de recente delen uit deze reeks teruglees, valt niet alleen het moment vóór betekenis op, maar ook iets anders.
In meerdere gesprekken verschijnt ervaring op een plek waar zij nog niet volledig van de cliënt is.
Dat kan gaan over emoties zoals boosheid, angst of verdriet. Maar ook over iets anders. Een beginnend inzicht. Een verklaring die zich aandient, maar nog niet helemaal wordt toegelaten.
De ervaring is al aanwezig.
Maar nog niet eigendom.
Soms is zij er wel,
maar nog niet van iemand.
Het is een ander moment dan waar de eerdere delen zich op richtten. Daar ging het om ervaring vóór betekenis. In de laatste gesprekken — en in het terugkijken op de delen zeven tot en met negen — verschijnt een andere laag.
Hier gaat het om iets relationelers.
De ervaring bestaat al, maar ligt nog niet volledig bij de cliënt. Zij is voelbaar in het gesprek, soms zelfs in het lichaam van de therapeut, terwijl de cliënt haar nog niet volledig ervaart of benoemt.
Bij emoties kan dat zich vrij direct laten zien. De toon verandert, het lichaam spant zich licht aan, er verschijnt een aarzeling of een kleine verschuiving in contact. De emotie is er, maar nog niet volledig gevoeld.
Wat ik in die momenten doe, is vaak eenvoudig. Ik ga eerst naar mijn eigen lichaam. Niet om iets te interpreteren, maar om te registreren wat zich aandient. Van daaruit kan soms een formulering ontstaan die de ervaring voorzichtig dichterbij brengt, zonder haar al vast te leggen.
Bij beginnende inzichten voelt het anders.
Daar verschijnt niet zozeer een affectieve lading, maar een cognitieve beweging. De richting van het denken wordt zichtbaar. De samenhang dient zich aan. De formulering lijkt binnen bereik.
In eerdere fases van mijn werk lag de neiging daar om het inzicht te helpen formuleren. Om de stap te maken die zich al aankondigde.
Wat ik nu vaker opmerk, is een andere vraag.
Niet: wat is het inzicht dat hier ontstaat?
Maar: wat maakt dat dit inzicht zich nog niet volledig vormt?
De aandacht verschuift dan van het vinden van de juiste formulering naar het herkennen van de bescherming die nog actief is. Soms is het niet dit moment. Soms ligt het werk niet in het laten ontstaan van het inzicht, maar in het zien wat er nog nodig is voordat het gedragen kan worden.
Dat verandert ook iets in mijn eigen positie in het gesprek.
Waar eerder het werk lag in het niet te snel organiseren van ervaring, ligt het nu soms in het tijdelijk dragen van iets dat nog nergens volledig ligt. Niet om het over te nemen, maar om het niet te verliezen, totdat de cliënt er zelf dichterbij kan komen.
Daarmee verschuift ook de functie van de therapeutische relatie.
De vraag wordt niet alleen of een ervaring gevoeld of begrepen kan worden, maar ook of zij in deze relatie kan bestaan voordat zij volledig van de cliënt is. Wanneer dat lukt, ontstaat er een andere kwaliteit van ervaring: iets kan aanwezig zijn zonder direct georganiseerd te worden, en zonder dat het contact verandert.
Op dat punt wordt zichtbaar wat het proces op dat moment nodig heeft.
Niet versnellen.
Niet afronden.
Maar herkennen dat wat verschijnt nog geen eigenaar heeft —
en dat dat soms precies is waar het werk begint.