Supervisiereeks deel 11 — Wanneer gevoel ontbreekt en het leven zich vernauwt

Klinische herinneringszin
Wanneer gevoel ontbreekt, werk ik niet naar gevoel toe, maar blijf ik bij wat er al is.


Hij beschreef stress, niet als emotie maar als iets dat zich in zijn lichaam voordeed: druk op de borst, een onrust die geen duidelijke aanleiding leek te hebben, en een gevoel van haast terwijl de situatie zelf daar weinig reden toe gaf, omdat alles geregeld was en er objectief niets mis leek.

“Het slaat nergens op,” zei hij.

Er waren woorden voor wat hij dacht, maar niet voor wat hij voelde. De ervaring bleef beperkt tot lichamelijke gewaarwording en een poging om die via de ratio te begrijpen.

De vraag naar gevoel lag voor de hand.

Wat voel je?

Hij zocht kort, maar kwam niet verder dan wat hij al had gezegd: spanning, onrust, druk.

Wat zich daarmee aftekende, was een scheiding.

Tussen lichaam en ervaring.
Tussen gewaarwording en betekenis.

Die scheiding werd niet gecorrigeerd. De aandacht bleef bij wat er al was. Waar zit het precies? Hoe voelt het, als je het niet probeert te verklaren? Wat gebeurt er wanneer je er iets langer bij blijft?

Het gesprek vertraagde. De formuleringen werden minder sluitend, minder gericht op begrijpen, en daarmee dichter bij wat zich feitelijk afspeelde.

Van daaruit kwam iets anders in beeld.

Hij sprak over vroeger, over hoe hij als kind op zijn kamer lag terwijl zijn ouders ruzie maakten, hoe hij luisterde zonder iets te kunnen doen, en hoe hij in die situatie leerde stil te blijven.

De spanning van nu en de situatie van toen stonden naast elkaar.

Ik hield ze naast elkaar, met mijn handen, zonder ze samen te brengen.

Zijn blik volgde de beweging, van de ene naar de andere kant, en weer terug.

Zonder dat ze samenvielen, bleven ze tegelijk aanwezig.

Hij vertraagde opnieuw.

“Het is nooit… licht,” zei hij.

De zin bleef hangen.

“Hoe voelt dat, in je lichaam?”

Hij keek weg.

“Verdrietig.”


Het gesprek ging niet verder.

Er kwam geen vraag, geen duiding.

Het moment bleef.

Hij zat daar, enkele minuten, met iets wat eerder niet toegankelijk was geweest. In die tijd veranderde zijn aanwezigheid zichtbaar. De spanning in zijn gezicht week en maakte plaats voor een andere vorm van expressie, waarin meer van zijn gezichtsspieren betrokken raakten en zijn blik tegelijkertijd zachter en helderder werd.

Niet opgelucht, maar meer aanwezig.

Wat eerder als diffuse spanning aanwezig was, kreeg een andere plaats.

Niet opgelost.
Niet verklaard.

Maar niet meer alleen.


“Als je zo zit,” zei ik, “zie ik iets anders bij je.”

Hij keek op.

“Je gezicht is veranderd. Meer aanwezig.”

Daar bleef het bij.


In die verschuiving werd ook iets zichtbaar van wat daarvoor op de achtergrond aanwezig was gebleven.

Niet alleen de spanning van het moment, maar de mogelijkheid dat deze manier van omgaan met ervaring zich zou blijven herhalen. Dat hij zich zou blijven afsluiten van wat hij voelt, en dat zijn leven zich geleidelijk zou vernauwen tot iets wat wel functioneert, maar niet meer werkelijk geleefd wordt.

Daaronder lag een concretere vraag.

Of hij dat zou doorgeven.

Of hij, in relatie tot zijn toekomstige kind, opnieuw die afstand zou reproduceren — niet uit onwil, maar omdat hij geen toegang zou hebben tot wat zich in hem afspeelt.

Die vraag werd niet beantwoord.

Maar zij verloor iets van haar vanzelfsprekendheid.

Niet doordat er een oplossing werd gevonden, maar doordat er iets anders beschikbaar kwam. Hij had ervaren dat de scheiding niet absoluut was, en dat hij bij wat zich aandient kon blijven zonder eruit te verdwijnen.

Zijn blik bleef rustig.

Warmer, zonder dat hij dat hoefde te benoemen.

Wat zichtbaar werd, was geen antwoord op de vraag of hij een goede vader zou zijn, maar wel iets fundamentelers: dat hij in staat was aanwezig te blijven bij wat moeilijk is, en dat daarin een andere mogelijkheid ontstaat dan die hij tot dan toe kende.


Ankerzin

Wanneer gevoel ontbreekt, blijf bij wat er al is — en laat verband ontstaan zonder het te sluiten.


Leave a comment