Klinische herinneringszin
Wanneer een cliënt ontregeld raakt, onderzoek ik wat ik heb losgemaakt.
Hij zegt het vrij terloops.
Dat hij twee weken van slag is geweest na onze vorige sessie.
De zin komt vroeg in het gesprek, bijna als een voorafgaande opmerking. Alsof hij wil markeren wat er is gebeurd, zonder er meteen een oordeel aan te verbinden. Hij voegt er niet aan toe dat het verkeerd was, maar ook niet dat het nodig was.
Wat er in mij gebeurt, is direct.
Een lichte samentrekking. De gedachte dat ik hem misschien verder heb gebracht dan goed voor hem was. Dat ik iets heb geopend waarvoor hij nog niet voldoende houvast had. Dat mijn manier van werken — het niet verzachten, het doorvragen, het expliciet maken van wat impliciet aanwezig is — hem niet alleen heeft geholpen, maar ook heeft ontregeld.
Die gedachte laat zich niet onmiddellijk corrigeren.
Zij blijft even staan.
Wanneer ik terugdenk aan de sessie, zie ik de momenten waarop het gesprek verschoof. Niet als één duidelijk kantelpunt, maar als een reeks interventies die samen iets in beweging brachten.
Zijn verhouding tot zijn ouders werd scherper. Wat eerder nog in meer gemengde termen aanwezig was, werd explicieter: het ontbreken van liefde, het gevoel niet gezien te zijn, de woede en de afkeer die daaruit voortkomen. Ik heb dat niet afgezwakt. Ik heb het niet teruggebracht tot iets hanteerbaars. Ik ben erbij gebleven en heb het verder uitgevraagd.
Tegelijkertijd speelde er iets in zijn vriendschappen. De afstand tot een groep waarin hij zich lange tijd heeft bewogen, en waarin hij nu begon te zien dat die hem niet meer bracht wat hij nodig had. Ook daar heb ik niet vertraagd in de zin van het kleiner maken van wat zichtbaar werd. Ik heb de lijn gevolgd en soms zelfs explicieter gemaakt.
Terugkijkend zie ik dat ik hem in die sessie op twee plekken tegelijk heb uitgenodigd om los te laten wat tot dan toe nog een vorm van bedding was.
Niet geleidelijk.
Maar in dezelfde beweging.
Dat maakt mijn twijfel begrijpelijk.
Niet omdat ik achteraf zeker weet dat het te veel was, maar omdat ik zie dat het veel was.
Wanneer hij verder spreekt, wordt duidelijker wat er in die twee weken is gebeurd.
Hij beschrijft geen chaos, maar wel een periode waarin veel tegelijk bewoog. Emoties die loskwamen, gedachten die bleven doorgaan, momenten van afstand en momenten van betrokkenheid. Hij was ziek, viel uit, had minder contact met mensen die normaal dichtbij hem staan. Tegelijkertijd begon hij ook anders te handelen. Hij ging niet naar de verjaardag van zijn moeder. Hij nam afstand van een groep vrienden. Hij zocht andere vormen van contact.
En ergens in zijn verhaal zegt hij dat hij nergens spijt van heeft.
Die zin verandert iets.
Niet omdat hij daarmee het lijden wegneemt, maar omdat hij er een andere betekenis aan geeft. Wat hem heeft ontregeld, lijkt niet alleen iets wat hem is overkomen, maar ook iets wat hem in beweging heeft gezet.
Toch verdwijnt mijn twijfel daarmee niet.
Want de vraag blijft bestaan wat mijn rol daarin is geweest.
Of ik hem heb geholpen om iets onder ogen te zien wat al aanwezig was,
of dat ik het tempo van die beweging heb verhoogd.
Of beide.
In het gesprek zelf ontstaat een moment waarop dit expliciet wordt.
Ik benoem dat ik hem mogelijk hoog belast, juist omdat hij sterk is en veel kan dragen. Dat ik bij hem misschien sneller geneigd ben om meerdere lagen tegelijk te openen, omdat hij de indruk wekt dat hij dat aankan.
Hij herkent dat.
Niet als kritiek, maar als constatering.
En daarmee wordt iets zichtbaar wat niet alleen over deze sessie gaat, maar ook over mijn manier van werken. Dat ik bij cliënten die krachtig en reflectief zijn, het risico loop om verder te gaan dan bij anderen. Niet vanuit onzorgvuldigheid, maar vanuit vertrouwen in hun draagkracht.
Dat vertrouwen is niet per definitie onjuist.
Maar het is ook niet zonder risico.
Wat dit moment vraagt, is niet dat ik mijzelf vrijspreek, maar dat ik de vraag openhoud.
Niet alleen: heb ik hem te veel belast?
Maar ook: wat betekent het dat hij belast werd?
Want er zijn twee manieren om te kijken naar wat er is gebeurd.
De eerste is dat de ontregeling een signaal is dat het te ver ging. Dat iets te snel werd geopend, zonder dat er voldoende ruimte was om het te integreren.
De tweede is dat de ontregeling juist hoort bij het proces waarin hij zich bevindt. Dat wat lange tijd impliciet was, expliciet werd, en dat dit niet zonder beweging kan plaatsvinden.
In beide perspectieven ligt een vorm van waarheid.
En geen van beide laat zich op dit moment volledig bevestigen of ontkrachten.
Wat ik wel zie, is dat hij anders terugkomt.
Niet alleen met het verhaal dat hij van slag was, maar ook met keuzes die hij heeft gemaakt, en met een houding waarin hij die keuzes niet direct terugneemt. Hij lijkt iets meer te staan bij wat voor hem klopt, ook wanneer dat gevolgen heeft voor de mensen om hem heen.
Dat betekent niet dat het proces afgerond is.
Maar wel dat er iets in beweging is gekomen dat niet meer volledig terug te draaien is.
Daarmee krijgt mijn vraag een andere vorm.
Niet alleen: was dit goed of te veel?
Maar: kan ik verdragen dat ik niet precies weet wat mijn aandeel is geweest in wat er is gebeurd?
Het werk in de sessie is eindig.
De werking ervan niet.
Wat zich daar ontvouwt, gaat verder in het leven van de cliënt, buiten mijn zicht en buiten mijn invloed. Dat betekent dat de verantwoordelijkheid niet stopt bij wat ik doe, maar ook niet volledig controleerbaar is.
Daarin ligt een spanning die niet oplosbaar is.
Alleen te dragen.
Ankerzin
Wanneer het werk doorwerkt, weet ik niet onmiddellijk of dat schade is — of beweging