Klinische herinneringszin
Wanneer een cliënt mij betekenis geeft, onderzoek ik of wij nog vrij kunnen blijven kijken.
“Ik was bijna euforisch na de vorige sessie.”
Hij zegt het met een lichte glimlach, niet triomfantelijk of groots, maar eerder alsof hij zelf nog probeert te begrijpen waarom het gesprek hem zo diep geraakt heeft. Daarna begint hij te vertellen wat er in de dagen erna gebeurde. Hij schreef veel, zocht contact met nieuwe mensen, dacht anders na over zijn werk en over de manier waarop hij zich jarenlang tot systemen, verwachtingen en verantwoordelijkheid heeft verhouden. Er leek meer rust in hem te zitten, maar ook meer richting, alsof verschillende losse ervaringen ineens samenhang begonnen te krijgen.
Wat mij daarbij onmiddellijk opvalt, is hoe direct hij die verschuiving verbindt aan ons gesprek.
Niet op een afhankelijke of claimende manier. Eerder alsof hij probeert te beschrijven dat daar iets gebeurde wat hij niet goed kan reduceren tot alleen een inzicht of een gedachte. Alsof hij in dat gesprek niet alleen anders dacht, maar zichzelf voor een moment ook anders ervoer.
Wat ik op dat moment voel, is niet zozeer trots, maar eerder een milde schrikreactie.
Niet omdat een cliënt zich beter voelt of geraakt is door een sessie, maar omdat ik merk hoe gemakkelijk betekenis zich begint te organiseren rondom de ruimte tussen ons. Juist cliënten die intelligent, gevoelig en reflectief zijn, kunnen zulke ervaringen snel verbinden aan de persoon tegenover hen. En tegelijkertijd weet ik ook dat dit niet alleen projectie is. Soms maakt de kwaliteit van aandacht werkelijk verschil in hoe iemand zichzelf kan ervaren.
Precies dat maakt deze momenten ingewikkeld.
Want zolang therapeutische invloed alleen wordt gezien als overdracht of afhankelijkheid, blijft de therapeut relatief veilig. Dan kan alles uiteindelijk worden teruggebracht tot iets van de cliënt. Maar wanneer een gesprek iemand werkelijk helpt om zichzelf anders te bewonen, ontstaat ook de verantwoordelijkheid om zorgvuldig te blijven kijken naar de betekenis die de therapeut daarin krijgt.
Dat voel ik gebeuren terwijl hij verder spreekt.
Hij beschrijft hoe hij zich voor het eerst in lange tijd minder gevangen voelt in de noodzaak om voortdurend te voldoen aan verwachtingen van buitenaf. Hij spreekt over meer ruimte richting zijn partner en dochters, over een verlangen om anders aanwezig te zijn in de samenleving, en over het idee dat hij niet langer alles hoeft te weten voordat hij mag bewegen. Op een bepaald moment noemt hij het gesprek zelfs een vorm van thuiskomen.
Dat is een mooi woord.
En tegelijkertijd een woord dat mij voorzichtig maakt.
Niet omdat het onwaar zou zijn, maar omdat precies zulke ervaringen gemakkelijk groter kunnen worden dan goed is voor de vrijheid van het proces. Want wanneer een cliënt begint te ervaren dat hij zichzelf beter kan horen in jouw aanwezigheid, ontstaat ongemerkt het risico dat de therapeut niet alleen gesprekspartner blijft, maar ook drager wordt van richting, samenhang of betekenis.
Dat hoeft nergens expliciet te worden uitgesproken om toch invloed te krijgen op de relatie.
Juist daarom merk ik dat mijn aandacht langzaam verschuift. Minder naar de inhoud van wat hij vertelt, en meer naar de vraag hoe wij samen voorkomen dat zijn beweging zich te sterk rondom mij begint te organiseren. Niet omdat ik afstand wil creëren, maar omdat ik vrij wil blijven kijken naar wat hier werkelijk gebeurt.
Wanneer hij later zegt dat hij graag maandelijks wil blijven komen, niet vanuit crisis maar als plek voor kalibratie en onderzoek, begrijp ik onmiddellijk wat hij bedoelt. Tegelijkertijd voel ik ook de behoefte om onze samenwerking opnieuw expliciet te bekijken. Niet als correctie, maar als een vorm van verantwoordelijkheid tegenover iets wat op zichzelf waardevol en echt lijkt te zijn.
Want ergens onder mijn voorzichtigheid ligt ook een ongemakkelijke erkenning.
Namelijk dat onze gesprekken hem mogelijk daadwerkelijk helpen. Niet alleen door wat er inhoudelijk besproken wordt, maar ook door de manier waarop er geluisterd, vertraagd en onderzocht wordt. En juist omdat dat waar kan zijn, ontstaat het risico dat therapeut en cliënt samen ongemerkt méér gaan dragen dan het gesprek zelf kan verdragen.
Ik merk daarom dat ik in zulke momenten niet alleen probeer te luisteren naar de cliënt, maar ook naar mijn eigen verlangen om betekenisvol te zijn. Niet omdat dat verlangen verkeerd is, maar omdat het gemakkelijk onzichtbaar wordt wanneer het contact warm, oprecht en levend voelt.
Daarin ligt misschien een van de moeilijkste vormen van therapeutische verantwoordelijkheid.
Niet het vermijden van invloed, maar het verdragen ervan zonder haar te gaan bewonen.
Ankerzin
Wanneer een cliënt mij betekenis geeft, onderzoek ik of wij nog vrij kunnen blijven kijken