Supervisiereeks deel 17 — Wanneer hoop nog geen richting verdraagt

Klinische herinneringszin
Wanneer toekomst verschijnt, onderzoek ik wat hoop al kan dragen.

Ergens halverwege het gesprek zegt hij dat studeren hem meer opties geeft.

Niet onmiddellijk een andere baan.

Niet een concreet plan.

Meer opties.

Hij zegt het terwijl hij vertelt over certificeringen, een universitaire aanvraag en mogelijke richtingen buiten het werk dat hij nu doet. Even later noemt hij ook ondernemerschap, misschien consulting, misschien een andere manier om zijn technische achtergrond te gebruiken. De mogelijkheden volgen elkaar op zonder dat één ervan zich al duidelijk als richting aandient.

Wat mij opvalt, is niet alleen dat hij zoekt.

Het is ook de manier waarop hij zoekt.

Alsof hij verschillende deuren op een kier zet, zonder al te weten welke deur werkelijk geopend kan worden. Sommige mogelijkheden lijken hem energie te geven. Andere lijken hem vooral gerust te stellen. Weer andere verdwijnen al bijna terwijl hij ze noemt. Toch hebben ze samen een werking in het gesprek. Zij maken iets ruimer wat daarvoor smaller leek.

Hij spreekt over zijn huidige werk als een omgeving die steeds minder betrouwbaar voelt. Niet omdat er niets goeds meer in zit, maar omdat de regels, prioriteiten en verwachtingen voortdurend verschuiven. Hij beschrijft een positie waarin hij verantwoordelijkheid draagt voor mensen, maar niet altijd invloed heeft op wat hij moet overbrengen. Hij moet boodschappen vertalen die hij zelf niet volledig kan dragen. Hij wil betrouwbaar zijn in een systeem dat zelf minder betrouwbaar begint te voelen.

Daaronder ligt iets vermoeiends.

Niet alleen werkdruk.

Ook het gevoel vast te zitten in een werkelijkheid die telkens verandert, zonder werkelijk opener te worden.

Wanneer hij vervolgens over mogelijke toekomsten spreekt, hoor ik daarom niet alleen plannen. Ik hoor ook een poging om weer ruimte rond zijn leven te voelen.

Toch merk ik dat mijn aandacht zich aanvankelijk gemakkelijk organiseert rond een andere vraag.

Welke van deze mogelijkheden is realistisch?

Welke richting heeft werkelijk substantie?

Welke stap zou hem helpen om van verkennen naar bewegen te komen?

Die vragen zijn niet vreemd. Een cliënt die zegt dat hij iets anders wil, heeft soms inderdaad richting nodig. Een plan kan beschermen tegen eindeloos rondcirkelen. Het kan helpen om energie te bundelen, keuzes te maken en het leven minder afhankelijk te laten worden van stemming, angst of fantasie.

Maar terwijl hij verder spreekt, begin ik mij af te vragen of ik daarmee misschien een eerdere beweging oversla.

Niet welke toekomst hij wil.

Maar wat het betekent dat hij er weer meerdere kan zien.

Dat onderscheid wordt belangrijker naarmate het gesprek vordert. Want de mogelijkheden die hij noemt, lijken inhoudelijk sterk verschillend. Een studie is iets anders dan een bedrijf. Een certificering is iets anders dan consulting. Een andere functie binnen dezelfde organisatie is iets anders dan een vertrek uit de sector.

Toch verwijzen zij naar eenzelfde ervaring.

Niet naar bestemming.

Maar naar horizon.

Alsof het belangrijkste op dat moment niet is dat hij weet waar hij heen gaat, maar dat hij opnieuw kan ervaren dat hij niet volledig opgesloten zit in waar hij nu is.

Daarmee verandert iets in hoe ik luister.

Want hoop verschijnt hier niet als optimisme. Niet als overtuiging dat alles goed zal komen. Ook niet als geloof dat één van de genoemde mogelijkheden werkelijk de juiste zal blijken.

Hoop verschijnt veel eenvoudiger.

Als het besef dat de huidige werkelijkheid niet de enige mogelijke werkelijkheid is.

Dat is een kleine verschuiving.

En tegelijk kan zij in een mensenleven groot zijn.

Juist daarom vraagt zij voorzichtigheid. Niet de voorzichtigheid van afstand houden, maar van niet te snel weten wat deze hoop moet worden.

Terwijl hij spreekt, herken ik ook iets anders.

De vorm van zijn zoeken heeft iets van een ontsnappingsfantasie. Niet in de oppervlakkige zin dat hij onrealistische dromen koestert, maar in de diepere zin dat denken over later hem helpt om een moeilijke werkelijkheid nu te verdragen. Het verkennen geeft adem. Het opent een innerlijke ruimte waarin het heden minder absoluut wordt.

Ik denk aan hoe zulke bewegingen soms al vroeg in een leven kunnen ontstaan. Een kind dat niet werkelijk weg kan, kan wel denken aan later. Aan elders. Aan een moment waarop het anders zal zijn. Fantasie wordt dan niet zomaar vlucht. Zij wordt een manier om innerlijk niet volledig samen te vallen met wat op dat moment niet te veranderen is.

Maar als ik dat te snel zou zeggen, zou ik het overnemen.

Dan zou mijn formulering misschien te vroeg richting geven aan iets wat hij zelf nog aan het ontdekken is. Dan zou zijn mogelijke inzicht al van mij worden voordat het van hem kan zijn.

Daarom blijf ik erbij zonder het volledig te benoemen.

Ik probeer te luisteren naar wat in zijn spreken nog niet besloten is. Niet alleen naar de vraag of zijn ideeën uitvoerbaar zijn, maar ook naar de vraag welke functie zij op dit moment hebben. Beschermen ze hem tegen voelen? Openen ze werkelijk beweging? Doen ze allebei tegelijk?

Op een bepaald moment noemt hij zijn zoektocht explorerend.

Dat woord blijft hangen.

Explorerend is niet hetzelfde als kiezen.

Maar het is ook niet hetzelfde als passief fantaseren.

Er zit beweging in, maar nog geen vorm. Er is richtingloosheid, maar niet zonder betekenis. Er is nog geen plan, maar ook niet alleen vermijding.

Misschien bevindt hij zich precies in die tussenruimte waarin een oude vorm van ontsnappen langzaam iets anders zou kunnen worden.

Niet meer alleen innerlijk weggaan.

Maar ook nog niet onmiddellijk volwassen kiezen.

Eerder het begin van een overgang.

Van fantasie als uitweg naar mogelijkheid als beweging.

Daar wordt het spanningsveld scherper.

Niet hoop tegenover wanhoop.

Maar hoop tegenover richting.

Want richting kan hoop helpen dragen. Zij kan een mogelijke toekomst beschermen tegen vervliegen. Zij kan maken dat iemand niet alleen droomt van een ander leven, maar ook begint te handelen in de richting daarvan.

Tegelijkertijd kan richting ook te vroeg komen.

Dan wordt de horizon teruggebracht tot een route voordat iemand werkelijk heeft kunnen ervaren dat er überhaupt ruimte is. Dan wordt de vraag naar haalbaarheid belangrijker dan de ervaring van mogelijkheid. Dan moet hoop zich al bewijzen voordat zij voldoende heeft kunnen bestaan.

Ik merk dat dit ook iets vraagt van mijn eigen positie.

Een deel van mij wil hem helpen zijn mogelijkheden volwassener te maken. Niet uit ongeduld, maar omdat ik zie hoeveel energie verloren kan gaan wanneer alle richtingen tegelijk open blijven. Zolang hij blijft zoeken zonder focus, blijft zijn lichaam misschien wachten. Zijn wens om gezonder te leven, meer te bewegen en beter voor zichzelf te zorgen, wordt dan opnieuw een taak naast alle andere taken.

Maar misschien is gezondheid hier niet alleen een onderwerp.

Misschien is zij ook afhankelijk van de vraag of zijn toekomst innerlijk minder versnipperd raakt.

Zolang hij vooral moet fantaseren om het heden draaglijk te houden, blijft er weinig rust over voor zijn lichaam. Wanneer een mogelijke toekomst langzaam meer vorm krijgt, hoeft zijn aandacht misschien minder voortdurend naar uitgangen te zoeken. Dan kan er ruimte ontstaan voor iets eenvoudigers: slapen, bewegen, herstellen, sterker worden.

Niet als los project.

Maar als gevolg van minder innerlijke vlucht.

Dat maakt de vraag naar richting niet onbelangrijk.

Alleen komt zij misschien later.

Eerst is er iets anders nodig.

De vrijheid om te ontdekken dat er meer dan één toekomst bestaat.

Misschien moet iemand soms eerst wennen aan die vrijheid. Niet als abstract ideaal, maar als lichamelijke en psychische ervaring. Dat het leven niet volledig vastligt. Dat de huidige situatie niet het hele landschap is. Dat er een buiten bestaat, ook als nog niet duidelijk is hoe men daar komt.

Wat vraagt een mogelijke toekomst dan van de therapeut?

Misschien niet onmiddellijk richting.

Misschien ook niet alleen ruimte.

Maar het vermogen om te onderscheiden wat hoop op dat moment al kan dragen.

Soms verdraagt hoop nog geen plan.

Soms verdraagt zij alleen het voorzichtig openhouden van mogelijkheid.

En soms begint precies daar het werk: bij het moment waarop iemand nog niet weet waar hij heen wil, maar voor het eerst weer kan ervaren dat hij niet opgesloten zit.

Leave a comment