Klinische herinneringszin
Wanneer een relatie veel begint te dragen, onderzoek ik wat die niet alleen kan dragen.
“Misschien was het gewoon een grap die uit de hand is gelopen.”
Hij zegt het halverwege de sessie, nadat hij verteld heeft hoe hij een paar dagen eerder overtuigd raakte dat hij misschien niet meer bestond. Niet metaforisch bedoeld, maar als een ervaring waar hij tijdelijk niet meer goed uit kon stappen. Hij beschrijft hoe hij alleen thuis zat, begon te huilen, door de woonkamer liep terwijl hij hardop “hallo” riep alsof iets of iemand contact met hem probeerde te maken, en uiteindelijk bij zijn ouders terechtkwam zonder goed te kunnen uitleggen wat er gebeurd was.
Terwijl hij vertelt, valt mij vooral op hoe snel hij de ernst van zijn eigen ervaring opnieuw probeert te neutraliseren. Het was absurd. Theatraal. Misschien gewoon oververmoeidheid. Een vreemde grap van zijn brein. Bijna lachwekkend eigenlijk.
Wat tegelijkertijd voelbaar blijft, is dat hij er niet volledig gerust op lijkt.
Dat spanningsveld herken ik ook uit andere gesprekken. De cliënt die iets vertelt wat ernstig klinkt, maar het tegelijkertijd alweer oplost in ironie, analyse of abstractie. Niet per se om de ander te misleiden, maar vaak omdat de ervaring zelf nog nauwelijks psychisch draagbaar is zolang zij niet eerst omgezet wordt in betekenis, concept of afstand.
In eerdere fases van mijn werk was mijn aandacht waarschijnlijk sneller blijven hangen bij de inhoud van zulke ervaringen. Wat betekent dit? Waar verwijst het naar? Welke onderliggende beweging probeert zichtbaar te worden? Inmiddels merk ik dat mijn aandacht vaak eerst ergens anders naartoe gaat.
Niet alleen naar wat iemand beleeft, maar ook naar hoe iemand probeert die ervaring psychisch hanteerbaar te houden.
Bij hem gebeurt dat grotendeels via denken.
Tijdens de sessie spreekt hij uitgebreid over archetypen die hem jarenlang geholpen hebben zichzelf bijeen te houden. De vechter. De strijder. Later verfijnt hij dat zelf naar iets wat meer lijkt op een “warrior king”. Een houding die hem geholpen heeft sociale angst, paniek en onzekerheid te overwinnen, maar die mogelijk ook samenhangt met een langdurige afvlakking van gevoelens die pas zichtbaar worden wanneer zij nauwelijks nog doseerbaar zijn.
Op een bepaald moment zegt hij iets wat mij stil maakt.
Dat andere mensen vaak eerder merken dat het niet goed met hem gaat dan hijzelf.
Dat gevoelens voor hem lange tijd volledig onder water blijven, totdat zij plotseling overweldigend worden.
Terwijl hij dat beschrijft, merk ik dat ook mijn eigen positie langzaam begint te verschuiven. Aanvankelijk luister ik vooral fenomenologisch. Proberend zorgvuldig te volgen hoe hij zijn ervaringen organiseert, welke woorden hij ervoor vindt, hoe hij zichzelf ertoe verhoudt. Maar ergens gedurende het gesprek ontstaat daarnaast nog iets anders.
Een groeiend besef dat de relationele ruimte tussen ons mogelijk niet meer voldoende draagkracht biedt voor wat zich nu begint te tonen.
Niet omdat onze gesprekken geen waarde hebben. Integendeel. Juist omdat ik denk dat zij hem werkelijk helpen om ervaringen beter te verdragen en onder woorden te brengen. Maar precies daarin ontstaat ook een verantwoordelijkheid die verder gaat dan alleen aanwezig blijven.
Dat merk ik wanneer ik hem vraag of hij inmiddels contact heeft gehad met de huisarts.
Hij vertelt dat hij gebeld heeft, maar dat er nog geen reactie kwam. Terwijl hij daarover spreekt, voel ik bij mezelf een lichte aarzeling ontstaan. Niet zozeer over óf ik aanvullende ondersteuning belangrijk vind, maar over hoe expliciet ik daarin moet worden zonder het proces onmiddellijk te vernauwen tot iets puur klinisch of protocolmatigs.
Want juist cliënten die intelligent, gevoelig en reflectief zijn, kunnen aanvullende hulp gemakkelijk ervaren als een vorm van reductie. Alsof de complexiteit van hun ervaring ineens teruggebracht wordt tot symptoom, risico of diagnose.
Tegelijkertijd merk ik dat niet-organiseren hier ook een keuze zou zijn.
Misschien zelfs een te vrijblijvende.
Ik vertel hem daarom dat ik onze gesprekken waardevol vind, maar niet zeker weet of zij voldoende zijn als enige vorm van ondersteuning. Dat ik een éénpitter ben. Dat ik binnenkort enkele weken afwezig zal zijn. Dat ik het belangrijk vind dat hij naast onze gesprekken ook toegang houdt tot een bredere draagstructuur.
Wat mij daarbij opvalt, is dat het gesprek daardoor niet smaller wordt.
Eigenlijk gebeurt bijna het tegenovergestelde.
Vanaf het moment dat aanvullende ondersteuning niet meer verschijnt als correctie of alarm, maar als uitbreiding van draagkracht, lijkt hij zichtbaarder te kunnen nadenken over wat hij nodig heeft zonder onmiddellijk het gevoel te krijgen dat zijn ervaring van hem wordt afgenomen.
Misschien raakt dat aan iets wat ik de laatste jaren steeds sterker begin te voelen binnen therapeutisch werk.
Dat containment niet alleen betekent dat gevoelens verdragen kunnen worden binnen de relatie, maar ook dat de therapeut verantwoordelijkheid neemt voor de voorwaarden waaronder die relatie niet méér hoeft te dragen dan goed is voor cliënt én proces.
Juist daarom merk ik dat mijn aandacht in zulke gesprekken langzaam verschuift.
Minder naar de vraag of een ervaring volledig begrepen is.
Meer naar de vraag hoeveel draagkracht er rondom die ervaring georganiseerd moet worden zodat iemand er niet alleen mee hoeft te blijven bestaan binnen één enkele relatie.
Misschien vraagt therapie soms niet alleen om openheid voor wat zich aandient, maar ook om het vermogen tijdig te herkennen wanneer openheid alleen niet meer voldoende draagkracht biedt.
Ankerzin
Wanneer een relatie veel begint te dragen, onderzoek ik wat die niet alleen kan dragen.